Inventarisering van het Vlaamse erfgoed: waar knelt het schoentje (nog)?

Nadat een bezorgde burger aan de alarmbel trok over de sloop van Villa De Wilg in Kessel-Lo, gaf adviseur monumentenbeleid van de stad Leuven Joke Buijs tijdens het Radio 1-programma Hautekiet meer context bij het inventarisatiebeleid in Leuven.

De modernistische villa zal worden afgebroken en maakt plaats voor vier woningen. De stad weigerde de vergunningsaanvraag vanuit erfgoedmotivering, maar de deputatie van de provincie besliste anders. De villa stond immers niet op de inventaris bouwkundig erfgoed. De buurtbewoners probeerden tevergeefs de sloop nog tegen te houden.

Wij gaan met Joke dieper in op de inventarisatieproblematiek in Vlaanderen. Hoe had de sloop van de villa vermeden kunnen worden, wat is de situatie in Vlaanderen nu en wat kunnen steden en gemeenten doen?

Hoe had case De Wilg vermeden kunnen worden?

Dat had op een aantal manieren gekund. De meest logische piste was om het erfgoedpand op te nemen in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed. Dat is het instrument waar de provincie naar verwijst bij de beroepsprocedure. Als het erfgoed daar niet op staat, wil de provincie ook niet opleggen dat het erfgoed behouden moet blijven.

Een tweede mogelijkheid was dat de stad Leuven zelf al een stadsinventaris had gehad waar een stedenbouwkundige verordening was aan gekoppeld. Dan had de villa ook behouden kunnen blijven, omdat er dan echt ruimtelijke rechtsgevolgen waren.

Een ander aspect is: hoe groter je draagvlak is rond erfgoed, hoe groter je kans is om het te behouden, ook al heeft het geen officieel statuut. Dan was de eigenaar er misschien bewuster mee omgegaan of had de provincie misschien anders geoordeeld in hun beslissing bij de beroepsprocedure.

Wat is juist de problematiek rond de inventarisatie van erfgoed. Waar knelt het schoentje?

Leuven was het pilootproject bij de start van het inventariseren in de jaren ‘60. De stad is toen als eerste arrondissement geïnventariseerd. Dat gebeurde toen nog heel anders dan nu. Het ging er veel wetenschappelijker aan toe, maar enkel het erfgoed dat ouder was dan 1800 werd opgenomen in de inventaris. Dat betekent dat het om een beperkt aantal panden ging, zeker in de deelgemeenten, omdat die kernen minder oud zijn.

Begin jaren 2000 actualiseerde het Agentschap Onroerend Erfgoed die inventaris voor de binnenstad van Leuven. De inventaris van de binnenstad is daardoor heel omvangrijk, maar die van de deelgemeenten niet, terwijl ook daar heel wat waardevol erfgoed schuilt. Het is een probleem dat zich algemeen stelt: de inventaris is nooit groot dekkend opgesteld voor heel Vlaanderen. Op het moment dat Vlaanderen besliste om het inventariseren als taak af te stoten naar de gemeenten, was niet heel Vlaanderen even goed geïnventariseerd. In Limburg bijvoorbeeld, zie je dat heel goed: daar staat heel weinig op de inventaris.

Wat vind jij zelf van die decentralisatie naar de steden en gemeenten? Is dat een goede evolutie of niet?

Dat is voor mij dubbel. In een stad als Leuven die een bestuur heeft dat er – momenteel – op wil inzetten, is dat een goede evolutie. Vanuit een lokaal erfgoedbeleid kan je beter aanvoelen welk erfgoed waardevol genoeg is om op een inventaris te zetten.
Voor mij is het belangrijk dat dat van wat lokale waarde is op de inventaris staat. Wat van algemene waarde is, zou beschermd moeten zijn. Op zich is het dus goed dat steden en gemeenten het in eigen handen nemen, anderzijds staan er geen werkingsmiddelen tegenover en dat betekent dat sommige gemeenten de taak gewoon niet kunnen opnemen. Of dat sommige steden en gemeentebesturen de prioriteit niet zien.

Voor Vlaanderen krijgen we zo een inventaris die vooral in steden en grotere gemeenten heel uitgebreid en gedetailleerd opgemaakt wordt, terwijl andere steden en gemeenten het vogelvrij aanpakken.

Wat denk je dat steden en gemeenten nodig hebben om de taak goed uit te voeren?

Je hebt eerst en vooral expertise nodig, in huis of je kan taken uitbesteden. Dat is niet voor elke stad of gemeente eenvoudig. Ook de intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten hebben niet het personeel om heel Vlaanderen te gaan inventariseren.

Er is daarom nog altijd heel goede begeleiding nodig vanuit Vlaanderen (Agentschap Onroerend Erfgoed), omdat het nog steeds hun instrument is dat je moet gebruiken wanneer je iets wil inventariseren. Begeleiding in de vorm van aanlevering van digitale databanken, maar ook door mee knopen door te hakken.

Jullie zijn nu met de inventarisatie gestart. Hoe zien jullie de toekomst? En waar zetten jullie nu specifiek op in, in Leuven?

Wij hebben nu bijkomende bouwvoorschriften opgemaakt die gekoppeld worden aan de vastgestelde inventaris van Vlaanderen, en aan de stadsinventaris. In deze bouwvoorschriften (Erfgoedverordering) staan rechtsgevolgen die bepalen wat met die panden kan gebeuren. De verordening is momenteel in Openbaar Onderzoek. Hopelijk kan ze eind 2018 definitief van kracht gaan.

Ik denk dat we ook heel erg moeten inzetten op draagvlak om mensen bewust te maken van wat erfgoed is.

Op welke manier doen jullie dat, die bewustmakingsacties en projecten?

In 2017 hebben we de campagne ‘Fier op erfgoed van hier’ gelanceerd, waarin we de mensen wilden tonen dat niet alleen bekende monumenten erfgoed zijn, maar ook de wijk waarin ze wonen. Die campagne was gericht op wijken van lokaal niveau en belang. We hebben filmpjes gemaakt en die via sociale media verspreid. De buurtbewoners kregen een kaartje in de brievenbus met meer uitleg over hun wijk. We lanceerden daarnaast de warme oproep om het kaartje, dat de slogan ‘Fier op erfgoed van hier’ droeg, achter hun raam te plaatsen. Verder voorzagen we grote vloerstickers op de straten om meer informatie te geven over de wijk.

Dat was een campagne die heel goed heeft aangeslagen, maar daarnaast zijn we ook al 5 jaar heel intensief aan het praten met bouwheren en eigenaren.

Als er vergunningsaanvragen gebeuren, doen wij heel veel plaatsbezoeken en proberen we eigenaren uit te leggen wat waarom waardevol is. Omdat het heel vaak gewoon onwetendheid is waardoor ze iets verknoeien. Je moet mensen heel erg bewust maken. Dat doen we door heel veel te praten met elkaar, en natuurlijk helpen Open Monumentendagen daar ook bij.

Jullie bewustmakingscampagne is dus zowel gericht op gewone burgers als op professionelen?

Ja absoluut, ook onze verordening is opgemaakt vanuit het idee dat mensen moeten nadenken voor ze iets doen. Als je een pand hebt dat onder de verordening valt, moet je je eerst een paar vragen stellen: is het pand waardevol of niet, ligt het in een waardevolle context of niet? Nadien moet je je plannen met het pand steeds afwegen tegen de antwoorden op die vragen. Dat doen we ook om architecten te laten nadenken over waar ze mee bezig zijn. Soms worden ze onder druk gezet door de bouwheer, wat niet per se kwalitatief werk oplevert. Het is belangrijk om op tijd een stap terug te nemen en het ruimere plaatje te bekijken.

Inventariseren is een manier; zie je nog andere manieren om de waarde van het erfgoed te erkennen?

Ja: werken aan draagvlak. Dat toont het verhaal van villa De Wilg ook. Vanaf dat de omgeving besefte dat dat pand gesloopt zou worden, werd pas duidelijk wat dat pand waard was voor de omgeving. Erfgoed is heel vaak iets emotioneel: het speelt op je identiteit, op wie je bent, waar je woont en hoe je die wijk kan identificeren. Het is heel belangrijk om op die manier mensen te duiden wat erfgoed is. Je hoeft niet altijd alles meteen in regels te stoppen en op een inventaris te zetten. Ik denk dat het heel goed is dat gemeenschappen zich bewust worden van wat belangrijk is voor hen. Wij hebben ook de Straathistories die worden gedragen door de Leuvense Erfgoedcel. Dat zijn boekjes die buurten samen kunnen maken over hun wijk. Over de geschiedenis van de wijk, verhalen van buurtbewoners, kortom: alles wat ze belangrijk vinden om te bewaren. Het zijn mooie initiatieven om mensen zelf te laten nadenken over hun wijk.

Op die manier leren buren elkaar kennen en worden ze samen verantwoordelijk voor de wijk. Het is belangrijk dat je het samen draagt. Als iemand iets doet wat niet in orde is, komt de buurt daar ook voor op. Bij De Wilg hebben de buren pas te laat beseft dat het pand gesloopt werd. Dat is jammer en het kan vermeden door betere communicatie en een groter draagvlak.

Tot slot, je sprak al over het belang van het erkennen van de contexten. Dat mensen bij erfgoed alleen denken aan monumenten zoals het stadhuis of de grote monumenten die open zijn op Open Monumentendag. Hoe zetten jullie zelf al in om die contexten zichtbaar maken? Die kleinere verhalen, die kleinere plekken, hoe doen jullie dat en heb je misschien nog tips voor andere steden en gemeenten om dat ook te doen?

Wij hebben heel erg gemerkt bij het maken van onze verordening dat er een stap ontbreekt tussen de items op de inventaris – dat gaat heel vaak over individuele panden of een geheel van een straat met gelijke woningen – en de context daarrond. In de verordening kunnen dingen staan die geen erfgoed zijn. En dat wordt nooit meegenomen in het nadenken over hoe een stad evolueert. In de huidige reglementering zijn er heel weinig instrumenten om iets mee te doen. In de Vlaamse Codex voor Ruimtelijke Ordening zie je op het gewestplan van elke historische stad, bijvoorbeeld, de afgebakende zone met cultuurhistorische en esthetische waarde. Wanneer je in die zone iets afweegt, moet je rekening houden met de wenselijkheid van behoud. In de praktijk komt die afgebakende zone te vaak neer op een grote vlek die de groei van je stad helemaal niet vat.

Wij zetten in Leuven erg in op het denken in ‘erfgoedclusters’. Dat zijn gehelen die organisch gegroeid zijn of in één keer gebouwd zijn, en echt een stempel kunnen drukken op de ruimtelijke identiteit van een stad. Zo is er bijvoorbeeld de historische kern: daar staan ook heel wat gebouwen die geen erfgoed zijn, maar wanneer je er iets koopt of bouwt, is het wel belangrijk om de erfgoedelementen van de cluster goed af te wegen. Zo proberen we de kwaliteit van onze evoluerende stad een beetje te sturen. Dat lijkt me een goede tip voor elke gemeente of stad: denk na over de context van je stad en weeg je veranderingen altijd af in functie daarvan om je stad leefbaar te houden.

Heel erg bedankt voor dit gesprek.

Aan de slag:
Wil je zelf uitzoeken of het erfgoed geïnventariseerd, beschermd of geen van beide is? Wat de rechtsgevolgen zijn of hoe je erfgoed op de inventaris kan zetten. Ga dan zelf aan de slag met de volgende boomstructuur.

Wil je meer inzicht in sloopprocedures en wat jij kan doen om je te informeren of actie te ondernemen? Lees dan hier verder.